|
ronald wigman |
|||||||||||
![]() |
|||||||||||
| books catalogue interview dutch 2006 | |||||||||||
|
|
|||||||||||
|
paintings / video / installations / graphic design / biography / t-shirts / sitemap |
|||||||||||
| exhibitions
interview dutch |
Het reizen gooit alles op een hoop en maakt prettige chaos | ||||||||||
| ‘Het mag chaos worden, onbegrijpelijke zooi, harmonie. Kan allemaal. Er is geen eindpunt, wel een beginpunt’. (Fragment uit het onderstaand weergegeven vraaggesprek met Tjaart Theron in Bali in 2006. Tjaart Theron, geboren in Zuid-Afrika en woonachtig in Nederland, is onder andere schrijver). | |||||||||||
| Ronald, toen je nog heel jong was, als kind - zo heb je mij ooit verteld - had je een collectie ansichtkaarten aangelegd. Hoe heeft deze collectie de wijze waarop jij kijkt beïnvloed? Ik denk in meerdere opzichten. We hebben samen eens een gesprek gehad over een TV-programma waarbij beelden in je hoofd kennelijk al bestonden en je komt ze vervolgens een keer tegen. Het verzamelen van ansichtkaarten was een behoefte om de wereld in te gaan, te reizen binnen vier muren, want die collectie ansichtkaarten bestond uit geografisch verschillende plekken, verschillende landen en steden. Maar ik denk dat het ook met mijn huidige werk te maken heeft omdat ik op die manier beeld verzamelde om vervolgens met die verzamelde beelden nieuw beeld en nieuwe verbeelding te kunnen creëren. Ik denk dat dat misschien mijn eerste reizen zijn geweest als kind. Vroeger bij mijn ouders was reizen een dag naar het strand, vanuit Nederland gedacht de Belgische Ardennen, Midden-Duitsland en later Zwitserland. We hadden het toen niet over Noord-Afrika of het Midden-Oosten of laat staan Azië. Het heeft heel lang geduurd voordat ik voor het eerst in Azië terechtkwam (1995). De verzameling ansichtkaarten van toen geeft aan dat mijn interesse uitging naar je vaste plek verlaten en dan kijken wat dat brengt. Nu zit je in Bali en we gaan het daar straks over hebben. Wat mij het meest opvalt in je werk en waar je het ook heel vaak over hebt is het perspectief dat jij heel vaak kiest, het zogenaamde ‘bird’s eye view’ of helikopterstandpunt. Heeft dat enige relatie met de ansichtkaarten bekijken en dromen over reizen of is het op een andere manier gegroeid? Waarom juist dit perspectief? Het waarom kan ik niet zomaar een sluitend antwoord op geven. Waar het misschien vandaan komt, jij noemt ansichtkaart, je zou ansicht weg kunnen halen, hou je kaart over. Wanneer je reist heb je behoefte om als schrijver, musicus, beeldend kunstenaar hetgeen dat je meemaakt of dat je voelt in kaart te brengen. En dat kun je bijvoorbeeld doen door omschrijvingen of door uitzichten te schilderen, net als vroeger traditioneel veel schilders hebben gedaan. Maar het reizen levert in mijn geval fascinatie op voor plattegronden, wegenkaarten, atlassen, de globe. Ik heb ooit gedroomd - nog niet gelukt - om een raketreis te maken. Wat die kaart doet is - zogenaamd is ie bedoeld om te kunnen navigeren - dat ie houvast geeft voor wat je gedaan hebt op die en die plek. Je kunt er stippen op zetten, nummers, kruisjes en aan de hand van die kaart kun je zien hoe groot je reikwijdte was. En de kaart is interessant als structuur want aan de plattegrond van een stad - en dat voel ik al heel lang - kun je zien, indien je de stad wilt leren kennen, op welke plek je moet gaan zitten. En dat is in de regel - vind ik - het centrumgebied. Daar zitten de café’s, de shabby hotels, de bordelen, daar komt de trein aan, daar zitten de betaalbare restaurants en daar komt volk dat ook volk wil ontmoeten. Ik zou niet kiezen voor een buitenwijk als eerste. Welke wereldstad het ook is, ik zou altijd wensen per trein aan te komen of wanneer per vliegtuig zo snel mogelijk in het centrum zien terecht te komen. En die kaarten - van centra - vind ik wat mensen betreft de meest boeiende. Ter aanvulling, want je vroeg hoe zit het met je helikopterstandpunt, in feite is dat dus het standpunt dat we kennen van cartografie, goeie kaarten zijn ook gemaakt vanuit de lucht of via satellietopnamen. Ik heb heel vaak geprobeerd om niet plattegrond-gericht te werken, dat is nu meer dan twintig jaar gaande, ik kom er automatisch altijd op terug. Daar is niet een aanwijsbare reden voor. Ik voel mij daarin thuis vanuit mijn gevoel voor structuur, abstractie, overzicht en wandelpatronen. Daar zit voor mij heel veel in. Ik probeer het bovenaanzicht regelmatig te verlaten en het komt gegarandeerd op een bepaalde manier weer terug. Dat heb ik gezien! Een ander ding dat mij opvalt in je werk is dat jij heel vaak werkt met vlakken, heel scherp omlijnde vaste kleuren en de laatste tijd ook steeds meer met bedekking, overdekking van bepaalde beeldelementen. Dat je een soort van doorzicht krijgt en diepte-dimensie. Ik vroeg mij af wanneer ik in jouw atelier hier in Bali naar buiten kijk - over de rijstvelden - heb je soms een bepaalde schittering van licht, waardoor je eenzelfde soort van vlakken buiten ziet. Speelt dat een rol in de manier waarop je je werk vormgeeft of is dat toevalligheid? Aansluitend op het begrip toevalligheid dat je noemt - ik ben benieuwd hoe dat in het Engels klinkt - geloof ik in wat een Nederlandse schrijver zegt: toeval is hetgeen je toevalt. Er is geen bewuste relatie. Ik denk wel dat de rijstvelden en ook fotoboeken over Bali die ik eerder heb gezien heel duidelijk aangeven wat de structuur van het landschap hier is. Dat vind ik ook wanneer ik naar Nederland vlieg en bij het landen door het zompige, grijze wolkendek duik, naar het landschap kijk en denk: nou, hier is iemand met een liniaal aan de gang geweest. Door herverkaveling, infrastructuur en de dichtheid van bebouwing, zie je, ook al zegt iemand dat we in Denemarken landen, nee, we zitten boven Nederland. Onmiskenbaar, het polderpatroon, de rechte wegen, overdreven de plattegrond van Manhattan. Die kun je bijna projecteren op het Nederlandse landschap. En dat vind ik een wezenlijk verschil met hier. En wat je in het landschap ziet, zie je ook terug in de leefwijze, het klimaat en alles van Indonesië. Ook op Java, ook op Sumatra. De structuren blijven hangen en maken indruk. Dat is onbewust, ik leg het aan mijzelf niet uit, maar ik accepteer de verschillen. Het was gewoon frappant, iets dat mij opviel. Ik ben natuurlijk minder geschoold op het gebied van de schilderkunst dan jij, dus zijn enkele vragen misschien naïef... ... das heel gunstig... ... heel goed mogelijk. Ik zie schilderen ook als een handeling van onthullen en net zozeer van toedekken. Want je bent met je kwast ook bezig om te bedekken. Als ik naar je werk kijk lijkt het accent in je werk steeds meer te liggen op toedekken. En in zekere zin op opbreken in scherven en vlakken, vensters en doorzichten. In je vroegere werk zie ik veel meer figuratie... ... meer harmonie... ... ja, en ik zie nu steeds meer tekstelementen waar je overheen schildert, alsof je bezig bent om iets toe te dekken en dat komt in steeds meer werk van je naar voren. Laten we zeggen dat ik vergeleken met veel langer geleden probeer om in fasen te werken. Ik heb als jonge schilder veel meer de behoefte gehad om - BAF - meteen een beeld te creëren. Door opleiding, training en ervaring weet je dat je kunt afbeelden, verbeelden. Maar dat kan ook middels video, fotografie en andere beeldtechnieken. Of je gaat gewoon op een stoel zitten kijken, dat is ook heel bevredigend. Dus ik merk dat voor mij de beeldspanning daar niet in zit. Of juist niet meer. Nu komen in mijn werk oudere elementen die mij bezighielden samen. Puzzelen, kaarten, looppatronen, andere bewegingspatronen en de manieren waarop mensen zich uitdrukken: muziek, teksten, elkaar ontmoeten, dat zijn momenten die dynamiek opleveren, ook in geschilderde beelden. Indien ik die momenten letterlijk zou schilderen kan ik ze nooit vangen. Indien ik die emotie beleef tijdens het werken, een leeg doek, een kleurvlak, een tekst, een afbeelding - BAF - ik snij er met een mes doorheen, ik hak het in stukken, ik ga er met verf overheen, dan ben ik eigenlijk een kaart aan het maken, een emotionele kaart, die ook gelijkenis vertoont met een werkelijke kaart. En waarbij ik vind dat - wat jij dan toedekken noemt, ik noem het liever opbouwen, naar de buitenkant toewerken - dat die schil, die huid van het schilderij interessant wordt omdat ie de gelaagdheid gaat prijsgeven en eigenlijk meer het proces laat zien van wat ik gedaan heb dan dat het gaat om het uiteindelijke beeldresultaat. Iemand die geboeid raakt door een van mijn werken, die heeft misschien een relatie met die specifieke gelaagdheid en met een ander werk weer niet. Iets anders dat gebeurt - je hebt gelijk wanneer je zegt dat in mijn werk scherven zitten, weggeschilderde gebieden - gaat over twee zaken. In de eerste plaats bestaat de plattegrond als fenomeen uit scherven. Een stad is een geheel, maar zodra je kijkt naar de stadsstructuur heb je het over scherven. Ik heb zelfs een keer letterlijk een plattegrond (Antwerpen-België) op glas geschilderd en die schildering ingegooid om scherven te maken. In de tweede plaats is een schilderij of werkstuk niet mijn werk, dat is een aandeel in mijn werk. Iemand die een werk bemachtigt door aankoop of anderszins, die heeft een aandeel in mijn kunstbedrijf en pas wanneer ik stop - om wat voor reden dan ook - dan is mijn werk min of meer compleet. Dus die fragmenten in mijn werk versterken het idee dat, gerekend naar het alfabet van A tot en met Z, ik ergens bij de letter K of L zit. En iemand die nu mijn werk ziet zit ook halverwege het alfabet, ziet misschien ook de B, de C en de F, maar nog niet de S en de T en ik ook niet, dat weet ik ook nog niet. Dat is de spanning van mijn vak en mijn ontwikkeling en ook van het werken op deze plek nu. Dat ik mijzelf tijd en onderzoek gun om niet op resultaat te werken, maar om te kijken hoe al die fragmenten zich tot elkaar verhouden. Dat is misschien de kern van mijn werk: komt de puzzel ooit af? Dan komt mijn volgende vraag. Het gaat steeds over plattegronden, overzichten, grondplannen en vormgeving kunnen we zeggen. Om in computerterminologie te spreken, het lijkt of je aandacht verspringt en of je van een moederbord kunt spreken, een circuit, waar ineens ook tekst bij komt kijken. Kun je ook zeggen dat je aandacht zich meer richt op de broncode? En het proces, je eigen gedachten? Er hangt een werk hier in huis, dat is een Nederlands-Indonesische tekst over welkom heten. Tekst, wanneer je die uit de context haalt, wordt beeld. Wanneer je tekst beschildert, opblaast, verknipt, rangschikt - denk aan Kurt Schwitters en Paul van Ostayen - kun je met tekst beelden maken, niet in de eerste plaats bedoeld om te lezen, maar om naar te kijken. Ik herinner mij de beeldend kunstenaar-apotheker Oey Tjeng Sit uit Amsterdam, die maakte onder andere collages van de beurspagina’s uit de krant omdat die teksten de perfecte grijswaarde hadden waarmee hij wilde werken. Iets dat bedoeld was als publicatie wordt beeldmateriaal. Zo kreeg ik door de themakeuze ‘United colours of Religion’ voor mijn recente werk niet alleen te maken met beeld. Ook met de gevoeligheid van tekst, handschriften. Daardoor keek ik in kunsthistorische boeken hoe andere mensen zich ooit hebben uitgedrukt. Zo kom je bij de Egyptenaren terecht, bij de Arabieren. Op Bali is Sanskriet een taal waarin nog steeds gecommuniceerd wordt, net als het Arabisch op andere Indonesische eilanden. Omdat ik die teksten niet kan lezen ben ik geneigd om schrift uit andere landen eerder te zien als beeldschrift. Ze zijn een soort bron voor waar het omgaat: communicatie tussen mensen en wancommunicatie. En ik vind tekst als beeldelement een spannend element. Ik bedoel niet alleen het feit dat je een tekst gebruikt, maar het feit dat je oerteksten kiest. Ook wanneer je kijkt naar je interpretatie van ‘Het laatste avondmaal’ van Da Vinci, dan grijp je ook in compositie terug naar oerelementen. Een soort van broncode - om in termen van de Da Vinci-code te spreken - die zich begint te onthullen. Als broncode achter de dingen en het samenspel van al die oerteksten of oerbeelden. Ik bedoel waar ik aanvankelijk in jouw werk een bepaalde oppervlakkigheid signaleerde, begin ik nu een zekere diepte te zien - via het spel met oerelementen - wat ik dan de broncode wil noemen en wat eigenlijk ook een soort van geheimschrift is. Je kent het niet, het is verborgen. Doet mij aan twee dingen denken: tekstbron en beeldbron, alhoewel dat voor de Chinese taal een is. Ik moet denken aan wat ik las over mijn vroegere landgenoot Piet Mondriaan, die zei dat de essentie van de schilderkunst is dat wij uit het oude iets nieuws maken en daarvoor is destructie noodzakelijk. Je moet eigenlijk de bronnen die je ontdekt gebruiken, transformeren, kneden, scheuren, herschikken, noem maar op, om tot nieuwe vorm te kunnen komen. Het is niet gelijk aan citeren, het is verruïneren en positief reconstrueren. De renovatie van een monument waarbij je het monument een nieuwe functie toedicht en ook zichtbaar veranderingen aanbrengt. Die durf, niet het monument laten voor wat het is, maar een nieuw bouwwerk verwezenlijken op de fundamenten van het oude. De broncode is daarmee een onzichtbare geworden. Als we het gaan hebben over ‘United Colours of Religion’ lijkt het mij op het eerste gezicht een nieuw politiek element in je werk voor deze tentoonstelling. Ik heb ook gehoord dat sommige werken voor de tentoonstelling in Jakarta zijn geweigerd omdat er verwijzingen zijn naar de Rooms-Katholieke kerk, waarvan de Da Vinci interpretatie het belangrijkste werk is. Mijn vraag is, ligt deze gebeurtenis aan de context waarin je je nu bevindt in Indonesië, is het een slimme marketing-gimmick van je om mee te spelen of zit er een andere bedoeling achter? Je zou ook kunnen denken dat het helemaal niet je bedoeling is om te provoceren, maar om alle elementen samen te binden als een soort van verzoenend beeld. Ik kan er heel kort en bondig over zijn. Gimmick zeker niet. Daar ben ik nooit op uit in mijn werk. Ik kwam na enkele jaren Europa terug in Indonesië in oktober 2005 en in mijn atelier in Bali hing een voorstudie van Islamitische vrouwen die bijeen zijn om een gebedsdienst bij te wonen. Die schets kwam waarschijnlijk voort uit een krantenfoto. Daar zit sereniteit in, een soort maagdelijkheid, die mij ook deed denken aan nonnen die in een klooster aan het mediteren zijn. Door die schets dacht ik, goh, religies hebben eigenlijk veel meer verwantschap dan wij willen erkennen. Wij letten meestal alleen op de verschillen, maar we kunnen ook letten op de overeenkomsten. Door deze schets ben ik in diezelfde maand begonnen aan een drieluik over diezelfde groep vrouwen. Dat drieluik is donkerder, wel heel kleurig en door die donkere tinten hebben zelfs sommige kijkers mij gevraagd of het nonnen betreft. Nee, antwoordde ik, maar het zou wel kunnen. Dat geeft al aan hoe belangrijk het onderschrift of de titel kan zijn. Via dit drieluik kwam ik op het thema en de titel ‘United Colours of Religion’, welke titel ik na aandringen van de tentoonstellings-organisatoren heb veranderd. Nu heb ik mijn werk samengebracht onder de titel ‘Almost off the map’. Het voornaamste idee is de kracht van de verschillen naar boven te halen, dat het leuk is dat die verschillen bestaan en dat het eigenlijk allemaal over hetzelfde gaat. Al werkend wilde ik de symbolen van de hoofdstromen binnen religie verkennen en toewerken naar een beeld waarvan ik kan zeggen, he, he, eindelijk zitten we aan tafel, zijn we in gesprek en hebben we het over hetzelfde, maar het ziet er niet zo uit. Dat bracht mij op het opnieuw interpreteren van ‘Het laatste avondmaal’ van Da Vinci, een alom bekend beeld, met als titel ‘Het eerste avondmaal’. Die mensen - belangrijk in hun tijdvak en voor later - zitten bijeen voor discussie, eten, drinken en ze streven naar vrede. Ik had bij dit beeld altijd het gevoel dat zijn geen Joodse mensen of Arabieren of Christenen, nee, dat zijn gewoon mensen. En die hebben allemaal een verschillende achtergrond. Dit beeld onder andere heeft dus stof doen opwaaien, maar ik vind het een prachtig beeld om te hergebruiken en het is ook nog eens exact vijfhonderd jaar oud. Soms vraag ik mij af wat er in positieve zin veranderd is in die vijfhonderd jaar. Ik denk dat dat tegenvalt. Dat heeft mij ook tot dit beeld gebracht. Een kernbeeld in deze collectie schilderijen. Waar Da Vinci openingen laat in de achtergrond of waar de achtergrond onzichtbaar is, daar laat ik citaten uit mijn werk over religie zien. Niets aan de hand, ze horen er thuis. Daarom heeft het mij wel gestoken dat bepaalde mensen in Jakarta denken dat als je dit beeld ophangt dan krijg je gedonder. Ik zou niet weten waarom en als er gedonder komt, dan zegt dat veel over mensen die gedonder willen en niet omdat ik dat wil. Absoluut niet. Hetzelfde geldt voor mijn schilderijen waarin Arabische teksten voorkomen in de ondergrond. Ik zie dat letterbeeld als calligrafie, een algemeen schrift los van enige religieuze betekenis, sommigen niet. De brontekst is ‘vrijheid van expressie’ in het Arabisch, niets mis mee, staat helemaal los van religie. Het gevolg is dat een deel van mijn werk op een andere tentoonstellingsplek moet worden getoond. Jammer en opmerkelijk. Is het niet frappant of steekt het je niet dat juist jouw eigen achtergrond, het Rooms-Katholicisme, dat de verbeelding daarvan hier problemen veroorzaakt? Nee, want ik zie mijzelf qua religie meer als humanist... ... dan is het hooguit grappig... Ja, dan denk ik, goh, dat je je daar zo druk over kunt maken. Jammer. Dan komen we meteen via het woord grappig bij het volgende. Er zit toch een zekere speelsheid in je werk. Je hebt er plezier in - wat mij bijblijft wanneer ik je werk zie - om panelen te herschikken en om nieuwe combinaties te maken alsof je met bouwstenen werkt. Op die manier zit multifunctionaliteit ingebouwd in je beeldende werk, wat ook heel doordacht en bedacht is lijkt het. In constructie en in compositie is het je mogelijk om door perspectivische verschuiving en nieuwe combinaties een esthetisch geheel te maken. Of het bedacht is weet ik niet, mijn werkwijze frappeert mij ook regelmatig. In de religieuze serie verschuift de aandacht naar het dagelijkse leven op Bali, elke dag en overal zijn mensen in de weer vanwege religie, een heel verschil met Europa. Kleurigheid, bloemen, offeringen, aandacht voor elkaar, de tijd nemen voor je geloof. In deze serie werken zoom je als het ware in op hetgeen om je heen gebeurt en zijn details uitvergroot weergegeven. Wat daarmee bevestigd werd - en wat ik vooruit niet wist - is dat die aandelen waar ik het eerder over had, die puzzelstukken, als je die op een rij plaatst dan schakelen zij aaneen. Zonder elkaar onderuit te halen of te verzwakken. Terwijl ik in deze serie ook wel werk heb gemaakt dat een plek op zichzelf moet hebben. Het is spannend om te zien dat je vlakken kunt verlengen, kantelen, op zijn kop zetten of uitzagen. Dat geeft het kettinggevoel, het idee van puzzelstukken, dat wellicht het werk nooit af is. En het herschikken, de inwisselbaarheid, is dat speels? In ieder vak, of je nu muziek maakt, kookt of schildert, het is altijd spelen met de elementen die je krijgt aangereikt. Als het spelelement er niet is dan wordt het bloedserieus, zo serieus, dat ik het misschien niet leuk meer zou vinden. Maar je werk wordt nu - hier in Indonesië - bloedserieus genomen, door bepaalde mensen. Het is maar net wat iemand eruit wil destilleren. Ik reik aan en dat is een resultante van het werkproces en benoem het werk zoals je zelf wilt. Voel je beledigd of lach of geniet, dat is de spiegel die beeldend werk kan vormen voor een ander, de toeschouwer. Dan wil ik het over iets anders hebben. Dat jij werkt met bouwstenen, primaire kleuren, een zekere helderheid, markering van kleurvlakken en vormen in je werk. Wat is de relatie tussen vorm, kleur, compositie en de betekenis in je werk? En aansluitend, je hebt de naam Mondriaan laten vallen, was hij voor jou een grote inspirator? Je bent per slot van rekening Nederlander. Los van het feit dat ik Nederlander ben, vind ik Mondriaan een schilder in hart en nieren. Ook een kunstenaar in hart en nieren, want hij heeft zich niet alleen uitgedrukt in verf, ook in tekst, hij heeft manifesten geschreven, lezingen gehouden, hij was een motor voor veel mensen. Hij heeft klassiek gewerkt om geld te verdienen en daarnaast heel veel beeldonderzoek verricht. Ik ben niet zo zeer gefascineerd door al zijn werk, alhoewel er heel veel kracht in zit, maar ik ben vooral gefascineerd door zijn benadering van de schilderkunst. Ook omdat hij een beetje gezien kan worden als een eenling in het landschap van schilders in die tijd. Er zijn geen epigonen geweest van Mondriaan, er zijn zelfs conflicten ontstaan omdat een collega schilder aanverwant werk maakte en oplossingen bedacht die hij zichzelf nooit toegestaan zou hebben. Dat heeft ook tot een breuk geleid. Het is bijzonder dat Mondriaan probeerde alle bijbetekenissen van vorm en kleur weg te halen, waardoor je strakke, ritmische composities overhoudt, primaire kleuren, al zijn laatste werken zijn gebaseerd op die basiselementen. Geen mengtinten meer, geen ruimtelijke suggestie. Kleur en compositie bepaalde het beeld. Een soort puurheid en hij reikt je iets aan wat je volgens zijn theorie weer kunt herscheppen. Afbreken, herschikken en weer opbouwen. Dat heeft er waarschijnlijk bij mij toe geleid dat ik meer dan vijfentwintig jaar alleen schilder vanuit primaire kleuren. Maar daar meng ik kleuren mee, die Mondriaan niet meer gebruikte. Het besef dat een kader ophoudt, daar baal ik nou van. Zodra je een doek opspant heb je een begrenzing van ruimte. Mondriaans werk ging heel erg over ruimte met enigszins het idee dat wanneer je plat afbeeldt je de ruimte een andere dimensie geeft. Hij probeerde dat letterlijk uit in zijn atelier met kleurvlakken op de muren. Hij rangschikte meubels, gebruiksvoorwerpen horizontaal en verticaal. Ik ben van de diagonaal, die stopt niet. Een schilderij dat schuine richtingen heeft of een vlak dat er uit lijkt te vallen, houdt denkbeeldig niet op. De tussenruimte tussen de vlakken kan een stuk van de muur worden en een stuk muur wordt een deel van het schilderij. Ik maak dankbaar gebruik van de ontdekkingen die kunstenaars als Mondriaan hebben gedaan. En dezelfde beeldende principes kun je loslaten op muziek en architectuur. Door mijn plattegronden denk ik wel eens dat ik eigenlijk een architect ben die met verf zit te kloten. Ik wil ruimtes bewerken, beïnvloeden. Daarom heb ik soms ook een hekel aan het schilderij, omdat het beperkingen kent. Want jij maakt ook installaties. Wat is je relatie tot conceptuele kunst, installaties en andere disciplines? Daar zitten eigenlijk niet heel strakke grenzen tussen. Alleen door de materiaalkeuze worden grenzen bepaald. Schilderkunst is transportabel, althans daar zorg ik altijd voor, dat je het werk mee kunt nemen. Daarbij vind ik het een mooie gedachte dat portable werk ook iets doet met de portable gedachte. Dubbel portable dus. Dat past bij je invalshoek van reizen? Ja, dat is het reizen. Het reizen brengt nieuwe optiek, afstand tot vroeger werk, andere culturen en stijlen. Het reizen gooit alles op een hoop en maakt prettige chaos. Door reizen kies je de beeldmiddelen die passen bij het moment. Als je schildert kun je kijken, kun je dus ook een camera vasthouden. Kun je met kleur omgaan, dus kun je ruimtes inrichten en manipuleren. Wanneer je heel plat schildert zoals ik, snap je vermoedelijk meer van ruimte en dat komt van pas bij het maken van installaties. Je vraagt je af hoe gaan mensen kijken, hoe lopen zij en hoe verhouden zij zich tot de objecten die je plaatst. Wat voor een kleur geven zij aan de ruimte wanneer ik dat niet doe. Ik geloof dat al die disciplines hand in hand kunnen gaan. Maar schilderkunst dwingt je meer om je bepaalde dingen af te vragen. En dwingt je ook om een beperking zoals het kader los te durven laten. Dan komen de andere disciplines, zoals electronisch schilderen (video) en installaties mij heel goed van pas. Je zegt dat schilderen je leert kijken, ook naar jezelf, naar je eigen verleden. Denkend aan de verschuivingen in je werk, de ontwikkelingen, zijn er bepaalde thema’s die steeds terugkeren als centraal thema? Zijn er dingen die je nu pas gaan boeien? Waar, denk je, gaat het naartoe? Om je extra te stimuleren: ik zie natuurlijk de terugkeer van geografie, plattegrond en veel van wat we hebben besproken. Maar ik zie ook een verandering van buitenkant naar binnenkant. Van materieel naar immaterieel, van plat naar diepte, van figuratie naar abstractie. Is dat een nieuw spanningsveld in je werk? En ook een meer persoonlijke zoektocht, het kijken van buiten naar binnen? Dat is het aardige en nuttige van dit vraaggesprek, dat ik geprikkeld word om meer stil te staan bij mijn beeldend werk dan anders. Tijdens het werken speelt allerlei niet zo concreet als gedachte. Wat ik mij heel goed realiseer is dat wanneer ik makkelijker geld wil verdienen ik een ander soort werk zou moeten maken. Daar bedoel ik mee: je kunt afbeelden, verbeelden met alleen het idee anderen te behagen. Dat interesseert mij geen zak. Ik vind het wel heel prettig wanneer ik mensen tegenkom die gevoel hebben bij mijn werk, niet zo zeer op grond van herkenning, maar meer op grond van nog niet herkennen. Wat er momenteel gebeurt in het werkproces, dat is anderhalf jaar geleden in Nederland begonnen, is hoe de outline van een figuur is neergezet. Vroeger waren die lijnen donker en merkwaardigerwijs zijn ze nu wit geworden. Wit is vaak de basiskleur van een stuk papier, een leeg doek. Die witte lijn lijkt niet toegevoegd, maar uitgespaard, terwijl die lijn wel geschilderd is. In feite zaagt die witte lijn het beeld in stukken. Dat zagen levert mij patronen op als een weg, snelweg, vertakking, wandelwegen, gedachtekronkels, van alles. Wat mij boeit is dat al die witte lijnen doorlopen en de vlakken ertussen zijn niet meer zo belangrijk. De restvorm wint niet meer van de hoofdvorm. De lijn wordt een vorm en de vlakken worden tussenvorm. Dit herschikt de verhoudingen in het beeld en de betekenissen ervan. Het zwaartepunt verandert? Het werk wordt lichter? Al het werk zou zo uit elkaar kunnen gaan vallen... ... maar dat is ook lichtheid! Ja, het kan morgen anders liggen. Vanuit ruimtelijke behoefte hou ik het beeld plat, waardoor je kunt herschikken. Wanneer je ruimtelijk schildert valt er vaak geen speld meer tussen te krijgen. Dat heeft nu tot dat onderzoek naar lijnen geleid, kijken of de lijnen beeldbepalend kunnen zijn. Dat is niet iets dat ik bedenk maar tijdens het werken geloof ik dat het daarover gaat. Wat doen die lijnen? Die creëren weer vlakken en structuren en waar dat heen gaat? Ik zou het niet weten. Ik kan niet zeggen waar ik over een jaar zit. Het ligt open, geen idee. Dan trekken de lijnen zich helemaal los van het doek? Allemaal denkbaar, moeilijk om nu te zeggen. Het mooie van het wonen/werken hier in Indonesië is - vergeleken met mijn dagelijkse leven in Europa - dat ik veel meer tijd en aandacht heb om uit te proberen. Wil ik anders werken? Doen, mijzelf verrassen. In mijn laatste doeken herken ik van alles van de laatste dertig jaar, dat is best raar. Tekst, wegdekken, friemeligheid, plattegrond, metronet, steden die te vol worden, de aarde die uit zijn voegen barst, de planeet die naar de bliksem gaat. Ik denk dat het er allemaal in terug te vinden is. Laat ieder het verder aan zichzelf uitleggen. De verinnerlijking van het proces als reflectie op wat daarbuiten gebeurt, is dat de nieuwe mogelijkheid? Schilderen is een heel directe techniek. Allerlei informatie gaat door een filter op het moment dat je aan het werk gaat. Dat is niet altijd direct aanwijsbaar. Tijdgeest bepaalt daardoor mede wat het karakter van een schilderij wordt. Het is heel goed om dicht bij jezelf te blijven. Wat ik zeg, ik maak een beeld omdat ik dat zelf wil, mij zo uit wil drukken en niet direct om anderen te plezieren. Het mag chaos worden, onbegrijpelijke zooi, harmonie. Kan allemaal. Geen uitkomst en ik denk dat dat boeiend is om door te gaan. En dat is een verinnerlijking, omdat de relatie met de buitenwereld alles beïnvloedt, maar wat mijn beeld doet met de buitenwereld vraag ik mij meestal niet af. Er is geen eindpunt wat dat aangaat, er is wel een beginpunt. Pejeng, april 2006 |
![]() |
||||||||||
| tjaart theron en ronald wigman | |||||||||||